Warm-bouwen is een installatietechniek die zich manifesteert als thermische isolatie.  Door de temperatuur van de gebouwschil op bijna 20 °C te houden blokkeert het warmteverlies naar buiten. Het temperatuurverschil met de verwarmde zone (20-22 °C) is dan namelijk zeer gering. De benodigde warmte komt uit de bodem. De gebouwschil wordt op temperatuur gehouden door een actieve laag met watervoerende leidingen. Het voordeel van warm-bouwen is minder ruimtebeslag: de dikte van de watervoerende leidingen samen met een (noodzakelijke) bescheiden thermische isolatie aan de binnenzijde is kleiner dan de dikte van alleen thermische isolatie met dezelfde thermische prestatie. Warm-bouwen komt het meest tot zijn recht in bestaande gebouwen met thermische massa in de gevels en die niet of lastig zijn te voorzien van thermische isolatie aan de buitenzijde.

Warm-bouwen is een eenvoudig techniek maar lastig te regelen. De prestatie van warm-bouwen wordt beïnvloed door de energie-efficiëntie van de warmtebron, de energie-efficiëntie en/of regeling van de circulatiepomp, de verhouding in warmteweerstand aan weerszijde van de actieve laag en door de gewenste binnentemperatuur. De energetische prestatie van warm-bouwen kan worden vertaald naar een hefboom op de fysiek aanwezige thermische isolatie van de gebouwschil. Deze hefboom kan sterk variëren en is niet constant. Net als bij een warmtepomp moet de prestatie van warm-bouwen daarom over een stookseizoen worden beoordeeld.

Naast de geringere pakketdikte aan de binnenzijde heeft warm-bouwen ook het voordeel dat eventuele koudebruggen in de gebouwschil effectief worden opgelost inherent aan het principe, zijnde het verwarmen van de gebouwschil. De actieve laag kan in de zomer worden ingezet als basiskoeling.

In een uitgebreid onderzoek is voor verschillende constructies de hefboom van warm-bouwen bepaald, zowel zonder als met de benodigde (primaire) energie. Lees meer.