De resultaten van een dynamische gebouwsimulatie van het ziekenhuis gaven de opdrachtgever naast inzicht in het binnenklimaat tevens inzicht in de jaarbelasting­duurkrommes voor verwarming en koeling. Hiermee kan scherper het benodigde vermogen worden bepaald dat economisch zinvol is. De debieten en de vermogens voor warmte- en koudeopslag zijn ook hieruit af te leiden. In de resultaten is eveneens rekening gehouden met het warmte­-eiland effect voor de specifieke locatie van de nieuwbouw.

Koelplafond of all-air

Een ziekenhuis heeft een grote koelvraag als gevolg van een continue bezetting en veel elektrische (medische) apparatuur. Koelplafonds hiervoor stuiten op bezwaren vanwege investerings- en onderhoudskosten. Een zogeheten all-air systeem waarbij het transport van zowel warmte als koude voor de klimatisering volledig via de ventilatielucht geschiedt, is een alternatief. Ventilatielucht is toch al in ruime mate vereist zo niet gewenst in een ziekenhuis uit het oogpunt van een fris gebouw. Bij een all-air systeem vindt in principe geen nabehandeling plaats op ruimteniveau, eveneens om redenen van het beperken van investerings- en onderhoudskosten. Wel kan op ruimteniveau het luchtdebiet worden gevarieerd binnen bepaalde grenzen. Met behulp van dynamische gebouw­simulatie is een all-air systeem voor de nieuwbouw onderzocht, zowel wat betreft het binnenklimaat als het energie­verbruik.

Het belang van de regeling voor het binnenklimaat

Naast het ventilatievoud speelt ook de inblaastemperatuur een rol bij een all-air systeem. Deze beide zaken zijn direct aan elkaar gerelateerd. De inblaas­temperatuur wordt zo gekozen dat de variatie in de warmte- of koudebehoefte van de afzonderlijke ruimtes kan worden opgevangen door de variatie in het luchtdebiet op ruimteniveau. Een vrij vlakke stooklijn voor de inblaastemperatuur blijkt te volstaan, mede dankzij de goede thermische isolatie van de gebouwschil. De bijbehorende stooklijn is in eerste instantie afhankelijk van de buitentemperatuur en verschilt subtiel per luchtbehandelingskast afhankelijk van de achterliggende bouwdelen en functies (zie verderop). De stooklijn is eveneens gerelateerd aan de interne- en externe warmtelasten. Bij ontbrekende of matige interne en externe warmtelasten moet de stooklijn hoger liggen. Dit is het geval gedurende de nachtperiode (geen zonbelasting, lagere bezetting) en in het midden van het stookseizoen ook overdag (geringe zonbelasting). De uitzondering hierop zijn de operatiekamers die specifieke en strengere eisen stellen aan de ventilatie en het binnenklimaat.

All-air in relatie tot gebouwgebruik

De uitdaging bij een all air systeem is om de afzonderlijke ruimtes te voorzien van een goed binnenklimaat met behulp van gemeenschappelijke instellingen voor de inblaas­temperatuur van de ventilatielucht. Slechts één gemeenschappelijke instelling van de ventilatielucht voor de conditionering van het binnenklimaat van alle ruimtes is onmogelijk. Dat is het gevolg van de uiteenlopende kenmerken en eisen aan het binnen­klimaat voor de verschillende functies, van verpleegkamer tot operatie­kamer en kantoor alsmede van de opdeling in bouwblokken. De oriëntatie van de gevels (zonbelast of niet) heeft ook invloed op de warmte- en koelbehoefte van de afzonderlijke ruimtes. Een logische opdeling naar bouwblok en bouwdeel, onder de voorwaarde dat ook de functies logisch zijn opgedeeld naar bouwblok en bouwdeel, volstaat om een beperkt aantal sets van instellingen voor de conditionering van het binnen­klimaat te krijgen. Fysiek manifesteert zich dat in verschillende luchtbehandelingskasten die alle staan opgesteld in de technische ruimte op de daken. De ruimtes met veel daglicht­openingen zoals de entree en de magistrale (hoofdverbindingsgang) vragen enige aanvullende verwarming. De inpandige ruimtes met een hoge interne warmte­last vragen aanvullende koeling.